A Tale of A Tub

The Lips of History
4 mei – 21 juli, 2024

PELUMI ADEJUMO
BIA DAVOU
HAZEL MEYER & CAIT McKINNEY
OLGA MICIŃSKA
KIRSTEN PIEROTH
ATSUKO TANAKA
and the HOUWELING TELECOMMUSEUM

Guest writer: CAIT McKINNEY

Met het zachte gezoem van radioruis op de achtergrond opent A Tale of A Tub The Lips of History—een tentoonstelling over de geschiedenissen en onvertelde verhalen rond telecommunicatie. Het verhaal wordt gevormd rond materialen, objecten en machines in bruikleen van het Houweling Telecommuseum – een klein museum in een voormalige telefooncentrale, gerund door vrijwilligers, in het noorden van Rotterdam, met een collectie telecommunicatie van 1880 tot 2010. Hier doorheen verweven, net als kabels, zijn de bijdragen van zes kunstenaars en duo’s, zowel gemaakt in opdracht als bestaand werk. Op verschillende manieren onderzoeken en bevragen zij netwerken en uitvindingen die verbonden zijn met de circulatie van taal, beeld en geluid. Van ondermijnende storingen tot abstracte afluisterpraktijken en inscripties die censuur omzeilen: The Lips of History is zowel een speculatieve als informatieve hervertelling van de opkomst van massacommunicatie – en hoe deze zogenaamde ‘publieke’ tool heeft bepaald wie er mag spreken en wanneer.

A Tale of A Tub ligt op slechts enkele meters van het Marconiplein—een openbaar plein vernoemd naar de man die de radio uitvond. Deze focus op communicatietechnologieën biedt daarom de kans om na te denken over onze manier van communiceren, aangezien deze tentoonstelling tevens het eerste project is met de nieuwe directeuren. Daarom, en als nieuw onderdeel van het komende programma, zijn we blij met de lancering van ons kwartaalbulletin. De bulletins zijn een vehikel voor een bijbehorend schrijfprogramma, waarin mensen met verschillende professionele en persoonlijke achtergronden worden uitgenodigd om voor elk project de tentoonstellingstekst te schrijven—beschreven vanuit hun eigen onderzoek en ervaring, in plaats van als directe reflectie of uitleg van het betreffende project. Onze bulletins worden verspreid in de omliggende buurt en zijn beschikbaar in onze ruimte. Zo fungeren ze zowel als manier om elkaar te ontmoeten en als een vernieuwde vorm van de standaard tentoonstellingstekst. Als eerste bijdrage reflecteert kunstenaar en academicus Cait McKinney op de rol van de telefoon—de telefonisten en activators—om het belang ervan voor de organisatie en uiting van feministische en queer-netwerken in kaart te brengen.

Evenementen

Zaterdag, 4 mei, 2024, 17.00 – 20.00

Exhibition Opening: The Lips of History

 

Vrijdag, 17 mei, 2024, 16.00 – 18.00

(Soma)tic Poetry Workshop with CACONRAD

Biografieën

PELUMI ADEJUMO is a Nigerian-Dutch runaway pastor’s child, interdisciplinary writer, and lucid dreamer. They publish poetry, create performances and music, sometimes in collaboration with the collective Public Relations. Their work is strongly influenced by West-African spirituality and mythology, incorporating both Christian and Yoruba influences, as well as queer and feminist theory. Working with themes such as migratory grief, the grammar of the ‘poor’ and researching the role and reclamation of spirituality in queer lives, they understand language also as a place of struggle. Using unintelligibility and the mix-match of languages to open up disruptive creative and musical possibilities.

Born in Athens, BIA DAVOU (1932–1996) initially began with painting abstract expressionist compositions, before moving towards creating a new form of language communication in the 1970s, one based on the codes of science and technology. Her later works were developed through a laborious process that combined manual handicraft and industrial manufacture.

HAZEL MEYER is an artist who works with installation, performance, and text to investigate the relationships between sexuality, infrastructure, and material culture. CAIT McKINNEY is a media historian interested in how queer social movements use digital technologies to share information. Hazel and Cait have been collaborating since 2014 and presently live in Vancouver, Canada, on the unceded traditional territories of the xʷməθkwəy̓əm, Skwxwú7mesh and Səl̓ílwətaɬ Nations.

OLGA MINCIŃSKA is a visual artist living in Amsterdam. She is a graduate of the MA Art Praxis programme at the Dutch Art Institute, and holds an MFA in Sculpture from the Academy of Fine Arts in Warsaw. Micińska also trained as a woodworker. In 2021 she initiated The Building Institute (TBI), a non-formal platform supporting women and femme folk in the field of construction work.

KIRSTEN PIEROTH ( 1970, Offenbach am Main) lives and works in Berlin. In her work, Pieroth uses everyday objects, situations and activities, isolates them from their original settings and inserts them into a different context. This transfer causes an irritation in the interpretation of perception: individual things, which we usually identify according to their form, function, or use, no longer offer this habitual perspective ascribed to them, but instead refer to multiplied readings, strange systems of reference, and absurd chains of association.

ATSUKO TANAKA (1932, Osaka) was a key artist of the Japanese avant-garde movement Gutai. In the 1950s and 60s, this artistic association appeared as an assembly of abstract painters who used new supports and materials for their creations. Among other works, Tanaka produced a series of costumes for the Gutai group’s theatrical performances, including the Denkifuku dress [Electric garment] in 1956, made from electric light bulbs and flashing light tubes, which she wore to the opening of the second Gutai exhibition. This piece represents one of the first examples of the use of electricity in art, and the preparatory diagrams for her light garments foreshadowed a pictorial approach in which the electric circuit and lights were replaced by coloured circles and lines, evolving towards geometric abstraction.

Housed in an industrial building and telephone exchange dating from 1923, the HOUWELING TELECOMMUSEUM is a unique museum in the north of Rotterdam that manages, conserves and above all shows, hears and smells the history of PTT—the Dutch state company responsible for the post, telegraphy and telephony—and KPN—the current-day supplier of telecommunications to the Netherlands. The museum spans the history of telecommunications from 1880 to 2010 and is run by twenty-five enthusiastic and committed volunteers—all former PTT and KPN employees.

Ondersteuning

This exhibition is made possible with the support of the Mondriaan Fonds and Gemeente Rotterdam.

Meeluisteren
CAIT McKINNEY

Mijn moeder, die voornamelijk druk was met werken en de zorg voor drie kinderen, zat sommige weekenden uren te bellen en bij te praten met een oude vriendin. Dit was begin jaren negentig, dus ze gebruikte de vaste telefoon in huis: een net vernieuwde draadloze handsfree set in de keuken. Ik bleef in de buurt, uit het zicht, maar binnen gehoorsafstand, zodat ik mee kon luisteren. Het leek alsof de telefoon mijn moeder in een ander persoon veranderde, met gedachten, verlangens en inside jokes van voor mijn tijd en buiten onze familie. Haar telefoongesprekken met andere vrouwen voelden samenzweerderig en buiten bereik van mij en mijn zussen, die al haar aandacht en toewijding verlangden, maar niet kregen tijdens de kostbare uren die ze aan de telefoon zat. Mijn moeder deed tijdens het bellen gedachteloos andere dingen: de keuken schoonmaken, het avondeten beginnen, wat dan ook. Maar haar focus lag altijd op die kleine groep vrouwen met wie ze telefonisch contact hield. De telefoon maakte haar meer dan mijn moeder: een vrouw met een netwerk uit heden en verleden dat ik kon afluisteren, maar niet helemaal begreep.

Dankzij deze technologie, die mensen op afstand van stem tot stem met elkaar verbindt, van de ene semi-private huiselijke sfeer naar de andere, biedt de telefoon vrouwen heimelijk de kans om af en toe te ontsnappen aan de sociale hiërarchieën die hun leven bepalen. Feministische mediawetenschapper Lana Rakow schrijft: ‘Als we oprecht willen leren hoe genderverschillen tot stand komen in en door middel van communicatietechnologieën, moeten we het gebruik van de telefoon onderzoeken. Bovendien moeten we, meer dan met andere technologieën, kijken hoe de telefoon mensen en hun netwerken met elkaar verbindt.1 De invloed van de telefoon op het samenbrengen van vrouwennetwerken reikt verder dan het individu thuis, tot het effect van telefoongesprekken op arbeid en outreach.

Denk bijvoorbeeld aan de telefoniste, die in een lange rij zit naast tientallen andere administratieve medewerkers, en gesprekken doorverbindt via het telefoonnetwerk met een doolhof van kabels en stekkers voor zich. Voor de introductie van automatische doorverbinding in de jaren veertig, volgden operators de instructies van bellers voor het verbinden van hun gesprekken. Een telefoniste verwisselde handmatig de kabels om elk gesprek naar het gewenste nummer te leiden, waarbij ze behendig elektrische schokken vermeed terwijl ze schakelaars eruit trok en omzette. Ze werkte vlug en haar handen bewogen onmogelijk snel over in het geheugen opgeslagen posities van de telefooncentrale, om aan haar quotum van vijf tot zeven oproepen per minuut te voldoen.

Ik kijk naar archieffoto’s van deze vrouwen, allemaal op een rij, langs eindeloze panelen kabelschakelaars. Het beeld bevriest ze in de tijd, en even staan hun drukke handen stil. Als een operator überhaupt de camera inkijkt, is dat over haar schouder, omdat er geen tijd is voor een pose en een glimlach. De vrouwen zien er allemaal hetzelfde uit in hun donkere eind 19e -eeuwse jurken, met hun lange haar naar achteren gestoken in een functionele knot die de koptelefoon niet in de weg zit. In latere beelden, uit de oorlogsjaren, dragen ze kortere, praktische rokken en blouses, gecombineerd met moderne, nog praktischer kapsels. Ik vraag me af of deze vrouwen tijd hadden om stiekem over bellers te roddelen tijdens het werk en een snelle, veelbetekenende blik te delen met een buurvrouw aan het volgende paneel.

Telefoniste was om vele redenen een vrouwelijk beroep. De belangrijkste reden was het idee dat vrouwelijke sensibiliteit goed paste bij de deugd en moraal die telefonisten nodig hadden voor het discreet doorverbinden van gesprekken, die ze via hun hoofdtelefoon konden horen.2 Hoewel vrouwen ontmoedigd werden om naar telefoongesprekken te luisteren terwijl ze aan het werk waren, deden velen dat wel. In een anoniem artikel uit 1907 in de Saturday Evening Post schreef een Amerikaanse telefoniste over het ondeugende plezier wat ze ontdekte door discreet mee te luisteren.

“Het is zo queer om achter elkaar op de ‘luistertoetsen’ te drukken en stukjes van gesprekken te horen! Verschillende stemmen, verschillende dialecten, verschillende emoties, karakters, onderwerpen! In kleine beetjes, als Napolitaanse ijsbolletjes—kleine beetjes bruisend menselijk leven. De meisjes doen vreselijk gemene dingen als ze gefrustreerd zijn door boze klanten. Je kunt bijvoorbeeld drie of vier stellen met elkaar verbinden—een liefdespaar, misschien, twee zakenmannen en twee vrouwen die met elkaar roddelen—en dan luisteren hoe ze ruzie maken met elkaar.”3

Ik vind het geweldig dat deze telefoniste haar ondeugendheid als ‘queer’ beschrijft. In 1907 was dit woord nog geen scheldwoord voor ‘homoseksueel’, en betekende het nog zoiets als vreemd, anders of excentriek, maar wel gelinkt aan seksualiteit en stigma. Door het stiekem afluisteren van gesprekken en opzettelijk misleiden van bellers queer te noemen, verwijst deze telefoniste naar de typische intimiteit van een telefoongesprek: het gevoel van afstand door het gebruik van een telefoon en tegelijkertijd de vreemde nabijheid van iemands stem en adem in je oor; of het ongemak van publiek bellen via een telefoniste om met je geliefde of vriend over privézaken te praten.

De telefooncentrale als metafoor voor vrouwen die met de telefoon werkten, bleef bestaan lang nadat de automatisering de menselijke telefonisten had vervangen. In eerder werk heb ik uitvoerig geschreven over de Lesbian Switchboard in New York City, een door vrijwilligers gerunde telefonische hotline die van de jaren zeventig tot en met de jaren negentig actief was en telefoontjes beantwoordde van lesbiennes in nood. Nacht na nacht zat een vrijwilliger in een kantoortje in het plaatselijke homo- en lesbische gemeenschapscentrum, met een gewone handset. Ze beantwoordde telefoontjes over waar je een lesbische-vriendelijke therapeut kon vinden of welke bars je kon bezoeken, en gaf advies over coming-out en relaties. Elk van deze gesprekken werd kort maar nauwgezet vastgelegd in een spiraal-gebonden notitieboekje, waardoor een archief ontstond dat enerzijds veel laat zien, maar niet de subtiliteiten van het ritme en gevoel van tientallen jaren van uitgewisselde telefoongesprekken. De keuze om deze hotline een ‘telefooncentrale’ te noemen plaatst dit zorgzame werk in een lange erfenis van wat de telefoon heeft betekend voor vrouwennetwerken en arbeid.

In al deze scenario’s van telefoongesprekken zijn de bel, het gezoem of het rinkelen een oproep: een uitnodiging om te werken, roddelen of steun te geven aan een groter netwerk, buiten jezelf, verbonden via de telefoon.

  1. Lana F. Rakow, Gender on the Line: Women, the Telephone, and Community Life (Urbana and Chicago: University of Illinois Press, 1992, 5.
  2. Michèle Martin, “Feminisation of the Labour Process in the Communication Industry: The Case of the Telephone Operators, 1876-1904,” Labour/Le Travail 22 (1988): 139–62.
  3. Quoted in Jeff Nilsson, “What the Operators Overheard in 1907, Saturday Evening Post, 30 June 2012, saturdayeveningpost.com/2012/06/operators-heard-1907.